Fasen

Bij dementie horen vier verschillende fasen:

  1. Het voorstadium van dementie. Hierin begint men zich zorgen te maken over het geheugen, maar ook het vermogen tot plannen neemt af, net zoals het nemen van initiatief en het hebben van interesses.
  2. Het beginstadium van dementie. Het geheugen gaat verder achteruit en organiseren en plannen lukt niet meer. Ook kunnen het gedrag en iemands karakter veranderen.
  3. Het middenstadium van dementie. Er is hulp nodig bij de dagelijkse handelingen, geldzaken leveren problemen op en recente gebeurtenissen worden niet meer herinnerd. Er treedt een verstoring op in een slaappatroon en de persoon kan zichzelf gaan verwaarlozen.
  4. Het eindstadium van dementie. Zelfstandig lopen of zitten gaat (bijna) niet meer, het spraakvermogen verslechterd en reflexen veranderen (zoals zuigen en grijpen).

Hoe lang deze fasen precies duren, hangt van het soort dementie af, maar ook van de persoon zelf. Hierdoor kan het dan natuurlijk ook mogelijk zijn dat:

  • De fasen elkaar overlappen.
  • Sommige symptomen eerder, later of helemaal niet optreden.
  • Sommige symptomen weer kunnen verdwijnen, terwijl anderen juist verergeren.
  • Iemand wel in staat kan zijn een bepaalde handeling uit te voeren, terwijl er bij iets anders hulp nodig is.

Hoe mensen met dementie zelf de ziekte ervaren, is uiteraard afhankelijk van het karakter, de ervaringen, de houding en (eventuele) medicatie van de persoon in kwestie.

 Meer informatie over kenmerken van dementie